18 februari 2026 / 

 / 

De vreemdeling die binnen uw poorten vertoeft

Europa worstelt met het vreemdelingenbeleid. Er zijn meer dan 100 miljoen vluchtelingen in de wereld. Alle 100 miljoen kloppen potentieel aan bij de poort bij Europa. (Terzijde: waarom eigenlijk niet bij – noem eens wat – Rusland of China, Nigeria, Laos of Colombia?) Het is duidelijk dat Europa geen 100 miljoen vluchtelingen kan opvangen. Maar hoeveel dan wel? En wie wel en wie niet? Hoe reguleer je dat? En hoe beheers je dat? Wat is in dit verband “rechtvaardig”? Lastige vragen waarop geen gemakkelijke antwoorden te geven zijn. Zegt de Bijbel daar iets over? Er zijn mensen die spreken over het opvangen van vluchtelingen in termen van een bijbelse opdracht. Terecht?

Bijbelse opdracht?

De wet van Mozes, de Tora, is duidelijk over vreemdelingen. Bijvoorbeeld Exodus 22 vers 21: “Een vreemdeling zult gij niet onderdrukken, noch hem benauwen”. Of Deuteronomium 10 vers 19: “gij zult de vreemdeling liefde bewijzen” (door hem brood en kleding te geven, zegt vers 18). En zo op nog een heel aantal andere plaatsen in de Tora. Duidelijke taal. Of niet? Moeten we daarop ons vreemdelingen- en vluchtelingenbeleid baseren? Kùnnen we dat doen?

Dit voorschrift uit de Mozaïsche wet is, als een van de weinige, voorzien van een uitdrukkelijke motivering: “omdat jullie zelf vreemdelingen zijn geweest in Egypte”. Geldt die motivering ook voor ons? Nee; niemand van ons is ooit vreemdeling geweest in Egypte. Gelden die voorschriften daarom niet meer voor ons?

Daarvoor is het nuttig een blik te werpen in de evangeliën en de brieven, kortom: het Nieuwe Testament. Want de wet en de profeten, het Oude Testament, zijn ons christenen in de schoot gevallen als erfenis vanuit het Jodendom. We moeten het Nieuwe Testament lezen door de bril van het Oude. Maar dat geldt ook omgekeerd: als we willen weten welke wetten van Israël voor ons nu nog gelden, moeten we te rade gaan in het Nieuwe Testament. Mogen wij bijvoorbeeld wel “een kleed van tweeërlei stof dragen: wol en linnen tezamen”, zoals Deuteronomium 22:11 uitdrukkelijk verbood? Ik ken niemand die om die reden geen overhemd wil dragen van katoen en polyester. Maar dat verbod uit Deuteronomium dan? We lezen in zo’n geval, al dan niet bewust, het Oude Testament door het filter van het Nieuwe – en terecht. Als dat geldt voor een wet over kleding, geldt dat dan niet voor een wet over vreemdelingen?

In het Nieuwe Testament wordt het begrip “vreemdeling” grotendeels vergeestelijkt, zoals zo veel uit het Oude Testament. De gelovigen zijn “vreemdelingen en bijwoners op aarde”, Hebreeën 11 vers 13. Zij, dat is: wíj, worden vermaand te “wandelen in vreze in de tijd van uw vreemdelingschap”, 1 Petrus 1 vers 17. Want wij zijn wel “in” deze wereld maar niet “uit” (of: van) deze wereld, Johannes 17 vers 11, 16; wij zijn immers “burgers van een rijk in de hemelen”, Filippenzen 3 vers 20.

Als ik verder zoek in het Nieuwe Testament, kom ik geen regels tegen die rechtstreeks verplichten tot zorg voor vreemdelingen in de “aardse” betekenis van dat woord. Wel lees ik bijvoorbeeld in Jakobus 1 vers 27 dat “zuivere en onbevlekte godsdienst voor God, de Vader, is: omzien naar wezen en weduwen in hun druk en zichzelf onbesmet van de wereld bewaren”. (Laat Jakobus hier toevallig of opzettelijk “de vreemdelingen” weg?) En in Galaten 6 vers 10: “Laten wij dus, daar wij de gelegenheid hebben, doen wat goed is voor allen, maar inzonderheid voor onze geloofsgenoten”. “Voor allen”: dat omvat ook vluchtelingen, vreemdelingen, asielzoekers. In die algemene termen schrijft ook Spreuken 19 vers 17: “Wie zich over de arme ontfermt, leent aan de Heer; Hij zal hem zijn weldaad vergelden”; of Matteüs 25 vers 35-45. In zijn boekje Wegweisung zum Leben, dat ik in een eerdere aflevering aanprees, schaart Boecker de verplichtingen in de Tora tegenover de vreemdelingen in de algemene rij van “Rechtsbestimmungen zum Schutz der Schwachen”. Onder die “Schwachen” schaart hij ook de weduwen en de wezen. Opmerkelijk, aldus Boecker: in de oud-Oosterse wetgevingen worden wel weduwen en wezen als zwakken genoemd die bijzondere zorg behoeven, maar niet de vreemdelingen. De Tora is hierin uniek: “Daß gerade der Fremdling im alttestamentlichen Recht in so betonter Weise geschützt wird, stellt eine gewichtige Besonderheit dieses Rechts dar“. Waarvan akte.

Betoog ik hier dus dat we in de samenleving en in de politiek geen boodschap hebben aan vluchtelingen, asielzoekers en vreemdelingen? Zeker niet! Het enige dat ik wil betogen is dat we terughoudend moeten zijn met het “argument” als zou de zorg voor vreemdelingen een “bijbelse opdracht” zijn – alsof dat een soort van troefkaart zou zijn om extra aandacht voor dit onderwerp te vragen. Dat heeft iets te maken met de drie “betekenislijnen” waarover ik in de vorige aflevering schreef. Ik zie hier geen rechtstreekse, “verticale” of “horizontale” verplichting.

Maar dat betekent niet dat wat de Tora schrijft betekenisloos voor ons is. Dat betreft dan echter de “diagonale” betekenislijn: een soort van echo van de toenmalige zorg voor de maatschappelijk kwetsbaren in Israël naar ons huidige Nederlandse en Europese recht en onze politiek, een voorbeeld ter navolging. Het gaat om lastige maatschappelijke en politieke vragen, waarop geen gemakkelijke antwoorden te geven zijn. Ook “bijbelse opdracht” kan niet gelden als zo’n antwoord. Wie beweert dat dat wèl het geval is, moet ook geen overhemd van katoen en polyester meer dragen.

Verder lezen?

Nu jij!

Wat denk jij? Reageer hieronder!