
Recht en ICT
Recht en ICT: een gelukkige combinatie? Jarenlang was dat een toch ietwat pijnlijke vraag.
Laat ik het dicht bij mijzelf houden. Toen ik in 1978 begon als docent strafrecht in Leiden, was ICT nog helemaal niet in beeld bij de meeste juristen. Mijn hele proefschrift, 300 pagina’s in druk, heb ik nog met de hand (en de vulpen) geschreven. Eén verdieping onder die waar ik werkte, was een grote kamer en daar zaten dames achter indrukwekkende, mysterieuze apparaten. Dat heette “de Centrale afdeling tekstverwerking”. Daar konden ze teksten niet alleen snel typen, maar ook wijzigingen en correcties heel gemakkelijk doorvoeren. Hoe? Ik had geen idee. Zij hebben de hele tekst van mijn boek getypt.
In 1986 verhuisde ik naar het Wetenschappelijk Bureau van de Hoge Raad. Ook daar schreven we onze stukken nog met de hand. Maar ik maakte er ook voor het eerst kennis met een computer, ergens in een kelder van het gebouw. Wat een frustratie leverde die kennismaking op!
Eind 1989 zag ik, inmiddels verhuisd naar het ministerie van Justitie, voor het eerst in mijn leven een faxapparaat. Binnen de kortste keren kon ik niet meer zonder. Thuis kreeg ik halverwege de jaren ’90 mijn eerste pc. En een smartphone kreeg ik pas in 2013, toen het ministerie van Justitie verhuisde en de vaste telefoons verdwenen. Ik ben nu eenmaal geen “early adopter”.
“Recht en ICT” was lange tijd een specialisme voor een select gezelschap van juristen die ook belangstelling voor en verstand van ICT hadden. Zoals ook het onderwerp “mensenrechten” tot in de jaren ’80 nog een specialisme was van een select gezelschap juristen. In mijn proefschrift (1985) heb ik daar geen woord aan gewijd. Vandaag de dag allemaal niet meer voor te stellen.
Inmiddels heb ik mijn achterstand op beide terreinen enigszins ingehaald. Bij de Hoge Raad, waar ik werkte van 1986 tot en met 1989, volgde men de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (in de wandeling: “Straatsburg”) op de voet. Een geweldige leerschool. En op het ministerie van Justitie raakte ik vanaf 2002 verzeild in de digitalisering van de strafrechtsketen. Via artikelen in het Tijdschrift voor Strafrecht heb ik geprobeerd de belangstelling van mijn vakgenoten (strafrechtjuristen) te wekken voor dit thema, maar zichtbaar resultaat heeft dat niet of nauwelijks gehad.
Recht en AI
Dit algemene – en hier zwart-wit geschetste – beeld begon wat het thema ICT betreft een jaar of tien geleden te kantelen (voor het thema mensenrechten was dat al veel eerder gebeurd). Toen begonnen juristen ineens te schrijven over blockchain. O ja, blockchain – weet u nog wat dat was? We zijn het alweer bijna vergeten. De aandacht is inmiddels volledig verschoven naar het onderwerp “artificiële intelligentie”. Terecht? Ja, dat denk ik wel. Wie het onderwerp ook maar enigszins volgt, zal in de gaten hebben dat deze technologie enorme consequenties gaat hebben (en al heeft) voor ons hele leven en samenleven – inclusief ons rechtsbestel.
Zoals zo vaak met nieuwe technologie zijn er twee uitersten. De ene groep die groot geloof heeft in en grote verwachtingen heeft van die nieuwe technologie: de techno-optimisten; en de andere groep die sceptisch is, kritische vragen stelt, sombere scenario’s schetst: de techno-pessimisten. Zo gaf Jaap van den Herik zijn oratie (Leiden, 1990) als titel mee: “Kunnen computers rechtspreken?”. Zijn antwoord was een enthousiast en hartstochtelijk “ja!”. Zijn Leidse collega Aernout Schmidt gaf in 2014 zijn oratie als titel mee: “Bedreigen computers ons rechtssysteem?”. En zijn antwoord was eveneens: “ja!”; niet enthousiast en hartstochtelijk, wel ernstig en indringend. Het merendeel van de mensen zit er qua opvattingen natuurlijk ergens tussenin.
Inmiddels staat AI volop in de belangstelling van de juridische wereld. Er gaat geen week voorbij of in een of meer van de circa vijftig (!) gespecialiseerde juridische tijdschriften verschijnt een artikel over AI. Iemand die ook veel met dit onderwerp bezig is, in woord en geschrift, is Cees Zweistra. Op zijn website presenteert hij zich als “filosoof, schrijver en docent”. Aan de TU-Delft is hij gepromoveerd op een filosofisch proefschrift over de impact van technologie op onze identiteit en sociale relaties. Maar hij is ook jurist. Die combinatie van disciplines in één persoon maakt hem natuurlijk bijzonder interessant. Na zijn proefschrift (2019) heeft hij alweer drie andere boeken geschreven. Over hoogst actuele onderwerpen: hoe sociale media ons eenzaam maken en hoe je dit kunt voorkomen, over het nieuwe complotdenken dat via onder meer Thierry Baudet en Lange Frans ook in Nederland in zwang is geraakt, en over de dynamiek tussen woke en antiwoke.
De jaarvergadering van de CJV 2025
Deze staat van dienst van Zweistra was voor de Christen Juristen Vereniging (CJV) voldoende reden om hem uit te nodigen de lezing te houden op het inhoudelijk deel van haar jaarvergadering 2025. De titel van de lezing is intrigerend: “Waarom AI niet thuishoort in de rechtspraktijk”. Is Zweistra scepticus? techno-pessimist? Of is de tegenstelling techno-optimisten ↔ techno-pessimisten misschien wel misleidend? En biedt de spreker aanknopingspunten voor een gezonde omgang met AI, in de privésfeer en in onze juridische werkzaamheid? We gaan het horen (hoop ik) op vrijdag 21 november a.s. in Utrecht. De uitnodiging voor de jaarvergadering vindt u elders op deze pagina.
Nieuw is dit jaar dat de CJV breekt met een traditie van 102 jaar, volgens welke de spreker een preadvies schrijft dat tevoren aan de leden wordt toegestuurd (digitaal) en na afloop in druk verschijnt. De preadviezen vanaf 1922 zijn ook bijna allemaal gedigitaliseerd en op internet te vinden op de site van de CJV, zie https://christenjuristen.nl/preadvies/ . Prachtig materiaal!
De CJV wil zich meer dan voorheen richten op de levensbeschouwelijke vooronderstellingen en grondslagen van het recht. En ze wil meer samenwerken met het Christen Juristen Netwerk van ForumC; en dat wil dat Netwerk ook. Voor volgend jaar zijn daardoor al vier bijeenkomsten in voorbereiding. We houden u hier op de hoogte!









