15 januari 2024 / 

 / 

Recht gaat over vrijheid

In Rotterdam draait al enkele jaren een Scholten-leeskring. Twee of drie keer per jaar komen we met enkele geïnteresseerden bij elkaar om een tekst van Scholten te bespreken. De laatste tekst die we hebben behandeld was “Beginselen van samenleving”. Dat is een drieluik van lezingen die Scholten in 1934 heeft gehouden aan de Universiteit Leiden.

Het drieluik behoort tot de moeilijkste teksten van Scholten. Het moet, populair gezegd, voor de toehoorders een behoorlijke uitdaging geweest zijn om de drie lezingen te volgen. Of er ook enige discussie na afloop is geweest, weten we niet.

Ik heb niet de pretentie de lezingen hier samen te vatten, pik er alleen één zinnetje uit: “Wie van het recht van den mensch spreekt, spreekt van zijn vrijheid”. Een intrigerende uitspraak. Hoe moeten we die opvatten? Is vrijheid het ultieme doel van het recht? Schaart Scholten zich onder PVV-stemmers?

recht en (on-)vrijheid

Recht bindt ons. Niet alleen als we dat op prijs stellen, maar ook als het ons niet goed uitkomt of als we het er niet mee eens zijn. Scholten laat daar geen misverstand over bestaan. Wij zijn aan het recht onderworpen ook zonder dat wij zelf betrokken zijn geweest bij het opstellen van de regel en zonder dat onze instemming is gevraagd. Dat geldt ook voor de overheid en de overheidsdienaren. Een ambtenaar, een politieagent, een rechter, een minister, zij hebben zich aan de geldende rechtsregels te houden, ze staan niet boven de wet. Dat is juist de essentie van een rechtsstaat. Kijk hoe het toegaat in dictaturen.

Als dat allemaal zo is, wat zeg je dan als je zegt: “wie van het recht van de mens spreekt, spreekt van zijn vrijheid”? Brengt recht niet juist onvrijheid mee? Scholten licht het zelf niet toe. Ik doe daarom zelf een poging tot interpretatie.

individu ↔ gemeenschap

De geciteerde zin staat aan het eind van de derde lezing, in het résumé. In de voorgaande vijftig bladzijden heeft Scholten afgerekend met al die stromingen die het individu als hoogste waarde stellen. Dat is in de eerste plaats het individualisme zoals dat sinds Descartes de intellectuele hoofdstroom in het Westerse denken is geworden. Maar in het Marxisme is het, aldus Scholten, niet anders. Ook dat beoogt uiteindelijk niets anders dan de “bevrijding” van het individu.

Maar het individu is niet het hoogste goed. De mens leeft in gemeenschap. En dat leven in gemeenschap vereist inderdaad enerzijds wel respect voor het individu, maar de mens is niet zonder de ander. “Ich bin durch dich”. In de gemeenschap moet de liefde de hoogste waarde zijn. Liefde niet in de zin van een gevoel, verliefdheid, maar liefde in de (Bijbelse) betekenis van: “heb uw naaste lief als uzelf”. En dat leven in gemeenschap kan nu eenmaal niet zonder regels, dus niet zonder recht. Want onze menselijke liefde is altijd onvolkomen.

 “Recht” is een regeling van de verhoudingen tussen mensen, aldus Scholten. Recht moet dus die verhoudingen regelen, met gezag, maar tegelijk op een manier die de vrijheid van de individuele mens respecteert. Het moet een evenwicht tot stand brengen tussen de belangen van het individu en die van de gemeenschap; belangen die soms parallel lopen en soms met elkaar botsen.

Zo opgevat is recht noodzakelijk om de vrijheid van de enkeling te waarborgen. Hier zou ik alweer zeggen: kijk even naar de totalitaire staten van deze tijd. Het recht wordt daar met voeten getreden teneinde de vrijheden van de burgers de nek om te draaien. En dat was toen Scholten zijn drieluik schreef in 1934 niet anders. Hij verwijst naar het nazi-Duitsland van Hitler, naar het Italiaanse fascisme en naar het Rusland van na de revolutie van 1917.

vrijheid ↔ gezag

En dan is er nòg iets. De geciteerde zin loopt door, hij eindigt niet met een punt maar met een komma en vervolgt met: “doch die vrijheid bestaat slechts, indien hij [= de mens] voor gezag buigt. Zonder gezag geen recht.” Scholten construeert daarmee als het ware een driehoeksverhouding tussen recht, vrijheid en gezag. Want vrijheid staat van nature tegenover gezag: gezag vergt gehoorzaamheid en betekent dus een beperking van mijn vrijheid.

Maar dat geldt ook omgekeerd: gezag moet halt houden voor elementaire vrijheden van de burgers. Bijvoorbeeld voor de vrijheid van godsdienst. Dus vrijheid stelt ook een grens aan het gezag. Het is een balanceeract tussen vrijheid en gezag. De taak van het recht is: die balanceeract uit te voeren en tot een goed einde te brengen. Dus ook in die zin is recht noodzakelijk om de vrijheid van het individu te waarborgen. Die vrijheid wordt dan weliswaar niet gezien als hoogste waarde, maar wel als essentiële bestaansvoorwaarde in een samenleving van zondige mensen, dat wil zeggen: van mensen die niet per se altijd het goede willen en als ze dat wel willen, dat niet perfect kunnen realiseren.

recht als evenwicht

Individu of gemeenschap, gezag of vrijheid; geen van alle heeft het laatste woord. Het recht moet al deze waarden met elkaar in evenwicht brengen. Maar ook het recht als menselijk maaksel heeft niet het laatste woord. Het heeft zich te richten naar “een hoger recht”: de gerechtigheid. Maar de hoogste waarde is uiteindelijk de liefde.

Daarom zet Scholten als motto boven het drieluik van lezingen de woorden van Christus over het grote gebod: “gij zult de Heer uw God liefhebben met geheel uw hart, en uw naaste als uzelf.” Dat overstijgt de sfeer van het recht. Laten wij hopen, bidden en – voor zover dat in ons vermogen ligt – eraan werken dat het weerklank zal vinden in de politiek.

Abstract verhaal? Het heeft alles te maken met, noem eens iets, de WAM-boetes. Daarover in de volgende blog.

De drie lezingen van Scholten uit 1934 zijn te vinden op https://pure.uva.nl/ws/files/2206530/97401_B_1_b_deel_1_ARNO_4.pdf

Verder lezen?

Nu jij!

Wat denk jij? Reageer hieronder!

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.