13 mei 2025 / 

 / 

Hoe “wetenschappelijk” is de rechtswetenschap? (2)

Heb je ooit een jurist om advies gevraagd? Zo ja, wat was zijn of haar antwoord? Tien tegen één luidde het antwoord: “Dat hangt ervan af”. Daar valt geen speld tussen te krijgen. Je krijgt dus altijd het goede antwoord; maar je hebt er alleen niks aan…

In de vorige aflevering van de blog schreef ik over de Scholten-leeskring in Rotterdam in mei. Die had deze keer als thema: is rechtswetenschap eigenlijk wel als “wetenschap” aan te merken. En wat is het antwoord? Inderdaad…: “Dat hangt ervan af”. Schieten we daar dus niks mee op? De vraag is: wáár hangt het van af? Het hangt af van wat je onder “recht” verstaat en van wat je onder “wetenschap” verstaat. En dat antwoord brengt ons waar we wezen moeten: in het goede gesprek.

Wat is “wetenschap”?

Om te beginnen de vraag: wat is “wetenschap”. Daar schreef ik vorige keer al over. Als je vindt dat alleen natuurwetenschap “echte” wetenschap is, dat wetenschap per definitie en uitsluitend gaat over waarnemen en tellen en meten en causale verbanden zoeken, dan valt de rechtswetenschap door de mand. En niet alleen zij, maar ook (grotendeels) de taalwetenschap, de geschiedwetenschap, de psychologie, de filosofie, de theologie. Dan krijg je een heel beperkt begrip van “wetenschap”.

Als iemand het zo wil zien, kun je hem dat niet verbieden. Het gesprek wordt dan alleen wel een semantische discussie: een strijd over woorden. Dat levert doorgaans weinig op. De strijd moet niet gaan over woorden maar over waarden. En dat geldt ook voor de vraag wat “recht” eigenlijk is.

Wat is “recht”?

Het klinkt misschien vreemd; maar over de vraag wat “recht” eigenlijk is, zijn juristen het stevig oneens. Nu zou je als jurist kunnen zeggen: dat zoeken we op in de wet; als het ergens te vinden moet zijn, dan toch dáár. Maar helaas: de wet definieert niet wat “recht” is. Ze schrijft wel over “rechten” in de zin van: bevoegdheden. Maar wat we onder “recht” als algemeen begrip moeten verstaan, zwijgt de wet.

Dat geldt ook voor het begrip “wetenschap”. De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bevat een definitie van “wetenschappelijk onderwijs”: “onderwijs dat is gericht op de voorbereiding tot de zelfstandige beoefening van de wetenschap of de beroepsmatige toepassing van wetenschappelijke kennis en dat het inzicht in de samenhang van de wetenschappen bevordert”. Maar ze omschrijft niet wat onder “wetenschap” of “wetenschappen” moet worden verstaan.

Vanuit mijn werkervaring sla ik even een zijpaadje in. We hebben inmiddels al een heleboel wetten over bescherming van persoonsgegevens, tot en met een Avg (Algemene verordening gegevens­bescherming van de Europese Unie) aan toe; en er komen er in hoog tempo meer bij. Al die wetten zeggen veel over wat je met persoonsgegevens mag en niet mag doen. En ze definiëren wat onder “persoonsgegeven” moet worden verstaan: “alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon”. Maar – “informatie”: wat is dàt dan? Dat vertelt de wet je niet. En ook niet wat een “gegeven” of wat een “persoon” is. Is dat niet merkwaardig: de wetgever is niet in staat om de meest fundamentele begrippen te definiëren. Is het niet schandalig?! Of… brengt dit zijpaadje ons misschien toch iets verder?

Ongrijpbaar

We weten niet wat “recht” eigenlijk is, noch wat “gegevens” of “personen” zijn. Maar weten we dan wèl wat “materie” (stof), wat “kracht” (energie), wat “entropie” of “informatie”, ja, wat “leven” eigenlijk is? We hebben er allemaal onze voorstellingen bij, we kunnen er zinvol over spreken, we kunnen het ervaren, we weten er veel over en we doen er van alles mee; maar wat het eigenlijk ìs, is dat niet net zo ongrijpbaar voor de natuurwetenschapper (fysicus, bioloog, informaticus) als de begrippen “recht”, “persoon” of “gegeven” voor de jurist (wetgever, rechter, onderzoeker)? Zitten rechtswetenschap en natuurwetenschap in dit opzicht niet in hetzelfde schuitje?

De omweg brengt ons zo terug bij de vraag wat “recht” is. Recht heeft iets ongrijpbaars. Niet voor wie denkt dat “recht” = dat wat in wetten en vonnissen en contracten staat; domweg tekst dus en niets anders. Dat was de fout van het positivisme, zoals ik in de vorige aflevering schreef. Voor Scholten is “recht” veel meer dan alleen teksten (die je al hun geheimen kunt ontfutselen). Het is ook iets dat leeft en ervaren wordt in de samenleving. En het is óók een onderdeel van ons geestelijk leven. Voor die beide gebruikt hij de term “rechtsbewustzijn”. Niet om al het recht daartoe te reduceren (zoals in die tijd Hugo Krabbe deed, die krachtig door Scholten werd bestreden), maar als aanduiding van iets wat zich onmiskenbaar in ons innerlijk (onze geest) en in de buitenwereld (de samenleving) aandient. Maar lastig “meetbaar” is volgens de methoden van de natuurwetenschappen.

Geen woorden, maar waarden

Scholten benoemde vijf kenmerken van “wetenschap”, die zowel voor de natuur- als voor de rechtswetenschap opgaan (zie de vorige aflevering). Toen ik nog eens goed naar die vijf kenmerken keek, viel mij op dat vier van de vijf betrekking hebben op een waarde: objectiviteit, kritische reflectie, streven naar eenvoud, transparantie. Het zijn eisen voor integere wetenschapsbeoefening. En toen ik nóg eens goed keek, ontdekte ik dat die eisen niet alleen van toepassing zijn op de wetenschap, maar ook op de rechtspraak en op de politiek en op het openbaar bestuur in het algemeen.

Waarden, zo lijkt Scholten te willen zeggen, dáár moet het gesprek over gaan; niet over (alleen maar) woorden.

Je kunt het opstel van Scholten vinden op: https://paulscholten.eu/cp/wp-content/uploads/15.pdf

Verder lezen?

Nu jij!

Wat denk jij? Reageer hieronder!