
Op 17 maart 1942 houdt Scholten een lezing in de vergadering van de Afdeling Letterkunde van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen (de KNAW). Hij is dan nog net in functie als hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). Zes dagen later wordt hij door de Duitse bezetter ontslagen en nog weer vijf weken later ook uit Amsterdam verbannen, alles vanwege zijn anti-Nazi opmerkingen en activiteiten. In de lezing voor de KNAW is daarvan niets te merken, het is een zuiver wetenschappelijk verhaal. Nou ja, “zuiver wetenschappelijk” – wat houdt dat in? Bestaat er wel zoiets als “zuivere wetenschap”? En is rechtswetenschap eigenlijk wel als “wetenschap” aan te merken? Precies over die vragen gaat Scholtens lezing.
Juristen horen niet thuis in de KNAW
“Het is reeds eenigen tijd geleden, dat in een gesprek over de samenstelling onzer Afdeeling een der leden mij de opmerking maakte, dat de juristen er niet in thuis hoorden”, zo begint Scholten zijn opstel. “Die opmerking was niet onvriendelijk bedoeld, allerminst persoonlijk”, voegt hij er vergoelijkend aan toe. Want met die opmerking is natuurlijk ook – impliciet – gezegd dat Scholten zelf niet in de KNAW thuishoorde!
“De rechtswetenschap, was het betoog, past niet in het kader der Akademie. Dat was niet zoo maar een losse opmerking van een enkel lid, dergelijke gedachten koesteren ook anderen.” (Bij de oprichting van de Akademie in 1808 werden ook geen juristen tot lid benoemd, maar inmiddels was dat dus al veranderd). De achtergrond is natuurlijk het idee dat “rechten” geen echte wetenschap is. Dat idee is ook terug te vinden in de benaming van de juridische faculteiten: zij heten altijd “faculteit der rechtsgeleerdheid”, nooit “faculteit der rechtswetenschap (of rechtswetenschappen)”.
Dus om te bepalen of rechtswetenschap wel of geen “echte” wetenschap is, moeten wij eerst vaststellen wat “wetenschap” eigenlijk is. En daar beginnen de meningsverschillen al. Er zijn hele volksstammen die menen dat alleen natuurwetenschap echte wetenschap is. Want alleen daarin gaat het immers over wat je kunt waarnemen (zien, horen, ruiken, voelen) en wat je, al dan niet met behulp van instrumenten, kunt meten. En meten is weten, tenslotte.
Met die opvatting is Scholten gauw klaar: “Voorop gesteld moet (…) worden, dat de pretentie van sommige natuurwetenschap, dat alle wetenschap ten slotte natuurwetenschap is (…) hier wordt afgewezen.” Die pretentie had natuurlijk haar wortels in de negentiende eeuw, met haar vele doorbraken en ontdekkingen op wetenschappelijk gebied. Maar er was inmiddels, zo tussen 1890 en 1930, ook al een tegenbeweging op gang gekomen: de “revolt against positivism”. Met zijn korte en bondige afwijzing van de exclusiviteitspretentie van de natuurwetenschappen bevond Scholten zich dus in goed gezelschap.
Positivisme
Maar ook over de aard van de rechtswetenschap bestaat veel verschil van mening. Honderd jaar geleden was er de school van het juridisch positivisme. Die vond dat rechtswetenschap zich alleen diende bezig te houden met de juridische teksten en met het analyseren en systematiseren daarvan. Dat mocht niet worden vermengd met sociologische of levensbeschouwelijke elementen.
Ook daarmee maakt Scholten korte metten. Want die juridische teksten zijn zèlf door-en-door historisch en sociologisch bepaald: ze zijn opgesteld door bepaalde mensen in een bepaalde tijd, onder bepaalde sociale en economische omstandigheden, in een bepaalde context, met een bepaald doel en vanuit bepaalde politieke en levensbeschouwelijke opvattingen. Dat zit allemaal in de juridische teksten zelf ingebakken. Dus daar krijg je onvermijdelijk mee te maken als je die teksten gaat analyseren. Bovendien is het recht van het ene land niet het recht van het andere land: alle landen hebben andere wetten en andere rechtssystemen. Om je dan te beperken tot alleen de bestaande juridische teksten van één land op één moment en dus je ogen te sluiten voor dit soort contingente kenmerken, is wetenschappelijke, of beter misschien: onwetenschappelijke struisvogelpolitiek.
Dus met het positivisme redden we de rechtswetenschap niet. Maar: het recht, dat zich vormt in wetten, rechterlijke uitspraken, overeenkomsten (contracten), statuten van rechtspersonen, bestuursrechtelijke beschikkingen, testamenten, verdragen en nog zo veel meer, moet wel systematisch beschreven worden, anders kunnen we er niets mee. Waar die beschrijving begint, is rechtswetenschap in de kiem aanwezig; en zodra dit systematisch geschiedt, wordt de rechtswetenschap geboren, aldus Scholten. Daar komt bij dat de methode die de rechtswetenschap hanteert, typisch wetenschappelijk is.
Wetenschappelijke methode
Waarin zit ‘m die wetenschappelijkheid van de methode van de rechtswetenschap? Scholten noemt vijf kenmerken. (1) Wetenschap verwerkt alle beschikbare gegevens en ze doet dat zo objectief mogelijk. (2) Wetenschap gaat logisch-kritisch te werk en (3) streeft naar eenvoud (vereenvoudiging). Ze streeft ook naar (4) transparantie, dat wil zeggen: naar reproduceerbaarheid van haar resultaten. De onderzoeker moet de gevonden resultaten verantwoorden zodat anderen de uitkomsten kunnen “narekenen” (controleerbaarheid). Dit alles geldt zowel voor de natuurwetenschappen als voor de rechtswetenschap.
Ook het vijfde kenmerk geldt voor beide: (5) in alle wetenschap (behalve de wiskunde) zit een sprong, die wetenschappelijk verstaanbaar moet zijn, maar wetenschappelijk niet geheel is verantwoord. Ervaring en denken alleen rechtvaardigen nooit de conclusies van de wetenschap(per), er zit iets van de geest van den onderzoeker in, wat niet tot enkel ervaring (empirie, waarneming) en denken (logica) kan worden herleid. (Ik schetste deze “sprong” van Scholten al in een eerdere aflevering van de blog.)
En dus…
Scholten besluit (dit deel van) zijn betoog met een retorische vraag: “Is het verschil met andere wetenschappen hier anders dan gradueel?” en beantwoordt die vervolgens zelf met de uitspraak: “De methode alleen al der rechtswetenschap doet haar een plaats toekomen in het toch niet geheel harmonische gebouw der wetenschap”. Het klinkt bijna triomfantelijk. Terecht?
Ik heb hier natuurlijk maar een deel van Scholtens betoog kunnen weergeven. De discussie over de wetenschappelijkheid van de rechtswetenschap duurt tot op de dag van vandaag. Was het betoog van Scholten dan toch niet overtuigend genoeg? Of wordt hij niet meer gelezen? Of moet misschien elke generatie nu eenmaal sommige vragen opnieuw van antwoorden voorzien?
Op de Scholten-leeskring in Rotterdam gaan we het binnenkort over deze vragen en het opstel van Scholten hebben. Meer informatie vind je hier in de agenda.









