29 oktober 2025 / 

 / 

Over spel en ernst in het recht

Had Scholten gevoel voor humor? Ik weet het niet. De biografie van Rogier Chorus (2022) geeft er geen uitsluitsel over. In zijn geschreven werk is hij in elk geval niet op humor te betrappen. Het is alles is loodzwaar en door-en-door ernstig. Dat geldt ook voor zijn opstel over “spel en ernst in het recht”, dat op de agenda staat van de eerstvolgende leeskring in Rotterdam (deze keer waarschijnlijk: in Zoetermeer).

Belezenheid

Wat naast het gebrek aan humor in dit opstel in het oog springt, is Scholtens enorme belezenheid. Je zou er jaloers op kunnen worden. Hij verwijst naar de taalwetenschap, de etnologie, de rechtsgeschiedenis en de geschiedenis en wetgeving van het oude Israël. Het kon minder…

Naar die taalwetenschap verwees hij ook al uitvoerig in een eerder opstel uit 1942, over De structuur der rechtswetenschap. Wij bespraken dat op de leeskring in mei, ik schreef erover in twee afleveringen van deze blog. Op de etnologie kom ik zo dadelijk nog terug. Wat de rechtsgeschiedenis betreft, daarin was hij ooit hoogleraar geweest; zowel in het Romeinse recht (1907-1914) als in het oud-vaderlandse recht (1914-1921). Dus daar was hij goed in thuis. Dat leidt wel tot veel Latijnse citaten, die niet worden vertaald. Toen ik in 1971 in Rotterdam rechten ging studeren, was de eis dat je daarvoor gymnasium moest hebben, net vervallen. En ik kwam van het Atheneum (als eerste lichting van de Mammoetwet) en had geen Latijn gehad (nou ja, een heel klein beetje). Die citaten kan ik dan ook niet vertalen.

Wat ten slotte Scholtens kennis van Israël en de bijbel betreft, opmerkelijk is dat hij hier (waarschijnlijk) put uit een Deens boek als bron. Hij verwijst enkele malen naar “J. Pedersen, Israel”, zonder nadere aanduiding; zelfs het jaar van uitgave wordt niet vermeld. Zoekend op internet vond ik: Israel, its life and culture, I-II, 1926/1940 (twee delen), van ene Johannes Pedersen, “a Danish Old Testament scholar and Semitic philologist”. De Engelse versie is een vertaling van de oorspronkelijke vierdelige Deense uitgave, verschenen in de jaren 1920-1934. Het zal vermoedelijk deel I van deze Engelse versie zijn, waar Scholten naar verwijst. Opmerkelijk; want was er op dat moment geen gelijkwaardig Nederlands boek? Johannes de Groot, van 1928 tot 1942 hoogleraar Oude Testament en Hebreeuws, eerst te Groningen, later te Utrecht, raadde zijn studenten aan: “Lees vooral Pedersen!”

Kennelijk was zo’n Nederlands boek er dertig jaar later nog steeds niet, want begin jaren ’70 gebruikte prof. Van den Brink als hoogleraar Rechtsgeschiedenis in Rotterdam, voor het keuzevak “Bijbels recht” ook een vertaald boek, namelijk: De Vaux, Hoe het oude Israël leefde, dat toen net verschenen was (uitgeverij Romen, 1973; twee delen, samen 1000 bladzijden); een schitterend boek.

Kritiek

Wat mij naast die enorme belezenheid opviel toen ik het opstel voor zoveelste keer las, is de kritische toon die Scholten hierin aanslaat. De wetgever, de advocatuur, de “hedendaagsche burger”, de moderne techniek en de industrie, allemaal krijgen ze een veeg uit de pan.

De wetgever wordt aangeklaagd vanwege “een steeds toenemend getal van voortdurend meer ingewikkelde regels”. Toen al! Overigens had Scholten zich in 1915 al beklaagd over diezelfde wetgever: ”Fabelachtig is zijn rechtsproductie – doch de eischen stijgen, naarmate zij worden vervuld.” En korter geleden, in 1938, had hij nogmaals zijn beklag gedaan: “De Code Civil (dat is het Franse Burgerlijk Wetboek, wb) heeft stijl, het B. W. (d.w.z. ons eigen Burgerlijk Wetboek van 1838; wb) minder, maar toch ook wel — nieuwere wetten zijn ginds en hier veelal stijlloos, langdradig, onleesbaar” (mijn cursief, WB). En dat is sindsdien alleen maar erger geworden, voeg ik eraan toe.

Over de advocatuur schrijft Scholten zonder blikken of blozen: “om eloquentie te genieten moet men niet naar de rechtszaal gaan; het is droevig hoe stuntelig daar veelal wordt gesproken”. Hij was zelf ooit als advocaat begonnen; hoe hij het er toen afbracht als pleiter, weten we niet. Als hoogleraar stond hij wel bekend om zijn inspirerende colleges. Hoe staat het in dit opzicht met de advocatuur anno 2025?

Over “den hedendaagschen burger” schrijft hij: “scepsis heeft ons normbesef overwoekerd”. Hoe is dat anno 2025?

Ten slotte over de moderne techniek en industrie:

“Nooit wordt de maatschappelijk noodzakelijke arbeid, de broodwinning als spel beschouwd — de techniek van het moderne bedrijf is er op uit wat dan nog voor ruimte aan het spelen werd gelaten uit te sluiten. Een modern groot bedrijf in de industrie, waar alles op efficiency is gericht, heeft niets meer van spel. „Zakelijkheid” wordt ideaal en zakelijkheid betekent niet spelen.”

Nog steeds herkenbaar? Of hebben we sindsdien misschien enige vooruitgang geboekt op dit punt?

In andere opstellen is hij ook wel eens kritisch over de pers, maar die blijft dit keer buiten schot; en evenzo de Tweede Kamer. En de rechter? Tja…, als ik heel eerlijk mag zijn: die staat bij Scholten toch altijd een beetje op een voetstuk.

Recht als spel?

De kernvraag van het opstel is hoe recht zich verhoudt tot spel. Er zijn juridische elementen in het spel en er zijn spelelementen in het recht, veel spelelementen zelfs; Scholten benoemt ze allemaal. Maar aan het eind van het opstel concludeert hij toch: “Heeft het recht hoe dan ook deel aan de gerechtigheid, dan kan het ten slotte nooit spel zijn.”

Hij poneert het met grote stelligheid. Maar bewijst hij zijn stelling ook? “Wie stelt, moet bewijzen”, is een van de beginselen van het procesrecht. Of hij zijn stelling “hard maakt” is wat mij betreft de kernvraag waarover we het op de leeskring moeten hebben. Ik ben benieuwd wat eruit komt.

Het opstel van Scholten “Over spel en ernst in het recht” (1942) is hier te vinden: https://paulscholten.eu/cp/wp-content/uploads/16.pdf .

Zie ook de aankondiging van de leeskring via deze link: https://forumc.nl/dossier/scholten-leeskring-rotterdam-2025/

Verder lezen?

Nu jij!

Wat denk jij? Reageer hieronder!