13 december 2023 / 

 / 

De Kerk en het anti-semitisme

De oorlog in Israël doet op allerlei plaatsen in de wereld het anti-semitisme opvlammen. Hoe dient een christen zich daartoe te verhouden? In een opstel uit 1939 plaatst Scholten die vraag in een breder kader, namelijk: hoe dient de Kerk zich tot Israël c.q. het Joodse volk te verhouden. Zijn betoog beslaat bijna 6000 woorden. Ik wil dat hier in maximaal 1000 woorden samenvatten; deels in mijn eigen woorden, deels door de woorden van Scholten te parafraseren. Want die woorden zijn nog net zo actueel als toen Scholten ze opschreef.

Twee opmerkingen vooraf. Scholten schrijft “Kerk” met een hoofdletter. Hij bedoelt daarmee niet de Ned. Hervormde Kerk (waarvan hij lid was), maar de Christenheid in het algemeen. En hij schrijft over “Israël”. Hij bedoelt daarmee niet de staat Israël, die bestond in 1939 nog niet, maar het Joodse volk; hij gebruikt die twee aanduidingen ook door elkaar.

bewijs van Gods leiding

Na wat inleidende woorden begint Scholten zijn betoog met een klaroenstoot: ,,De zaligheid is uit de Joden”. Dat is Johannes 4:22 in de Statenvertaling (die Scholten toen nog hanteerde). Daarmee is de toon gezet. Er is een tegenstelling èn een verwantschap tussen christen en Jood. De geciteerde tekst drukt de verwantschap uit. De Joden zijn het door God uitverkoren volk. Uitverkoren, omdat uit hen de Messias, Jezus Christus, geboren moest worden. Het is niet overdreven om te zeggen dat het bestaan van het Joodse volk het enige natuurlijke bewijs van Gods leiding der volkeren is. Hoe is het anders mogelijk dat het volk na meer dan dertig eeuwen en na vele zware aanslagen op zijn bestaan, nog altijd als entiteit bestaat? Maar dat “bewijs” geldt alleen voor het geloof. Want het is onbegrijpelijk voor iedere sociologische of psychologische verklaring, en het is ook een uniek verschijnsel in de geschiedenis. Het ongeloof staat voor een raadsel dat het niet verklaren kan, voor een wonder dat het niet verdraagt. Het Duitse nationaal-socialisme propageerde zijn anti-semitisme omdat het zichzelf als het uitverkoren volk beschouwde.

anti-semitisme tevens anti-christelijk

Vanuit het Nieuwe Testament lopen in de geschiedenis twee lijnen. De hoofdlijn is dat de verwerping door de Joden van Jezus als de Messias een nieuw element in de verhoudingen heeft gebracht. Israëls erfgenaam “naar het vlees” is nog steeds het Joodse volk. Maar er is nu ook een erfgenaam “naar de geest” gekomen en dat is de Kerk. Zij krijgt in het Nieuwe Testament de plaats die Israël in het Oude had. Maar tegelijk geldt dat de Bijbel één is. Je kunt niet het Nieuwe Testament aanvaarden en het Oude verwerpen. En omdat het anti-semitisme zich tegen het Oude Testament richt, is het dus tegelijk anti-Christelijk.

de Kerk kan niet anti-semiet zijn

De tweede lijn is dat Israël ook na die verwerping het uitverkoren volk blijft. Scholten citeert hier de hoofdstukken 9-11 van de brief van Paulus aan de Romeinen. En uit het feit dat Israël ook na de verwerping van Christus het uitverkoren volk blijft, volgt dat een Kerk die waarlijk de genade van de Heer Jezus Christus predikt, niet anti-semiet kan zijn. Moet zij daarom ook het Zionisme steunen? Nee; maar zij mag het beslist ook niet bestrijden. Het zou eigen gerechtigheid zijn, als wij de Joden om hun positie tegenover de Kerk hun recht op een eigen staat betwistten. Over die vraag heeft de Kerk als Kerk niets te zeggen. Alleen: de Bijbel weet er niet van en steunen kan de Kerk het niet.

de tegenstelling

Tot zover de verwantschap. Er is, zoals gezegd, ook een tegenstelling tussen de Kerk en Israël. In het geloof is het onmogelijk te erkennen dat het Joodse “geloof” gelijkwaardig zou zijn aan het onze. Zo’n gelijkwaardigheid is er alleen als je het “geloof” formeel beschouwt, los van de inhoud. Want Christelijk is “geloof” niet los te maken van de gebondenheid aan de Openbaring van God in Jezus Christus. (Voor de goede orde: dit is een theologische beschouwing. Het gaat hier niet over godsdienstvrijheid of gelijke rechten in juridische zin. Die staan voor Scholten niet ter discussie.) Wij moeten ons vèr houden van de gedachte dat wij met de Joden ten slotte één zijn. De voorstelling van één Openbaringsreligie, die zich dan splitst in de verbijzondering van Jodendom en Christendom, is voor Scholten verwerpelijk. Want zij doet aan Gods Openbaring in Jezus Christus tekort. Het christelijk geloof is een ergernis voor de Joden en we mogen niet trachten dat weg te nemen.

zending onder de Joden?

Dat brengt Scholten tot een tweevoudige conclusie. De eerste is het feit dat, hoewel het geloof (ook) aan de Joden verkondigd moet worden, die verkondiging opvallend weinig lijkt uit te halen. Dat is geen reden om de zending onder de Joden na te laten, maar we moeten erkennen: het schijnt Gods weg niet te zijn, dat de Joden zich nu reeds bij grote groepen onder de Christenen scharen. En ten tweede: zodra een Jood zich bekeert en christen wordt, komt hij daarmee los te staan van het Jodendom. Als een Jood zich waarlijk tot Christus bekeert in deze tijd, wordt hij tegelijk deel van het volk waartussen hij leeft: Nederlander, Duitser, Fransman. Het Jood-zijn eindigt. Dat wil zeggen: de Joden zijn dan niet meer het volk waartoe hij behoort, maar waartoe hij eens behoorde.

Dit alles maakt, dat wij, als het om het anti-semitisme gaat, stil hebben te wachten, wat God ons in het geschiedgebeuren te zeggen heeft. Wij weten, dat Hij dit volk bewaart. Wat hun lot zijn zal, weten we niet, doch dat lot moeten we met gespannen aandacht volgen. Met aandacht en met liefde. De Kerk moet den Jood het Evangelie voorhouden en hem, ook als hij weigert te luisteren, in liefde tegemoet treden. Zij bedenke ,,dat wij door hun ongehoorzaamheid barmhartigheid hebben verkregen, dat zij door onze barmhartigheid barmhartigheid zullen verkrijgen” (Rom. 11 :31).

Het opstel van Scholten is te vinden op paulscholten.eu

Verder lezen?

Nu jij!

Wat denk jij? Reageer hieronder!

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.