
De rechtsmethodologie van Scholten, lees: Het Algemeen Deel in de Asser-serie, kun je niet begrijpen als je zijn rechtsfilosofie niet kent. Dat betoogde ik – heel beknopt: meer dan 800 woorden mocht het niet zijn – in het Tijdschrift Recht en Arbeid (TRA) van april 2026. Met de “rechtsfilosofie” van Scholten bedoel ik: zijn visie op de verhouding tussen recht en levensbeschouwing, of breder: tussen wetenschap en geloof. Dat betoog leidde tot een gedachtewisseling met een andere Scholten-liefhebber. En die gedachtewisseling bracht mij tot een nieuw inzicht: je kunt Scholtens rechtsmethodologie ook niet begrijpen zonder zijn kennistheorie te kennen. Dat licht ik hieronder toe.
Onder “kennistheorie” (of epistemologie) versta ik hier wat Van Dale eronder verstaat: de leer betreffende het wezen, de methoden en de grenzen van de menselijke kennis. Dus: wat is kennis en hoe komen wij tot kennis en oordelen. En dat heel in het algemeen: in de alledaagse, “voor-wetenschappelijke” ervaring, in de empirische wetenschappen, in de wiskunde, in de ethiek, in het recht – álle menselijke kennis. In een opstel uit 1927, Recht en moraal, heeft Scholten zijn visie daarop het helderst beschreven.
Onze oordelen komen, aldus Scholten, tot stand in een proces dat uit drie elementen bestaat: waarneming (observatie), redenering (logica) en dan… tja, wat dan? Een sprong. Want oordelen volgen nooit rechtstreeks dwingend uit waarneming + redenering, er zit in iedere conclusie ten slotte altijd iets van een beslissing, een keuze. Drie elementen dus, die gelden in alle domeinen van kennis en/of wetenschap; zo werkt nu eenmaal ons menselijke kenvermogen. Maar de “mengverhouding” van de drie elementen verschilt in de verschillende vakgebieden. In de wiskunde is het gehalte aan waarneming en sprong miniem, het is grotendeels logica. In de empirische wetenschappen is vooral het gehalte aan observatie hoog, daarna redenering en ten slotte ook nog een klein sprongetje; vaak zo klein dat je het nauwelijks opmerkt, maar het ís er wel. En in de moraal en het recht is het aandeel van de sprong weer veel groter (dan in de empirische wetenschappen), maar ook daar beginnen we toch altijd vanuit de waarneming, de feiten, waar we vervolgens meestal – expliciet of impliciet – ook redeneringen aan vastknopen. Vandaar het enorme belang van het bewijsrecht en de motiveringsplicht bij rechterlijke vonnissen. Inmiddels heeft de kennistheorie ons geleerd dat ook de waarneming zelf al veel interpretatie bevat, dat zij wordt gekleurd door de context en door de voorkennis en de vooronderstellingen van de waarnemer. Scholten beschreef in zijn tijd al dat het vaststellen van de “feiten” in een rechtsgeding nooit los staat van de ideeën over het (vermoedelijk) toepasselijke recht. Dat kan soms tot een tunnelvisie leiden, zo weten we nu.
Dit beeld van kennisverwerving had Ph.A. Kohnstamm een jaar eerder veel uitvoeriger – en veel minder toegankelijk dan Scholten deed – beschreven in zijn grote werk Het waarheidsprobleem (1926). In latere publicaties verwijst Scholten naar dat boek; hij heeft het dus gekend en gelezen. Misschien al voordat hij zijn opstel van 1927 schreef, dat kunnen we niet meer vaststellen.
Wat daarvan zij, ik wil hier nog één opmerking aan toevoegen, namelijk dat het mij noodzakelijk lijkt om dit proces van kennisverwerving en oordeelsvorming analytisch te onderscheiden van wat er vervolgens gebeurt met die kennis, waar die kennis toe dient. Bij de wiskunde en de empirische wetenschappen gaat het om de toepassingen ervan in de techniek: het bouwen van bruggen, het samenstellen van medicijnen, en duizenden andere toepassingen. In het recht gaat het om beslissingen die mensen kunnen dwingen tot het verrichten (of juist het nalaten) van bepaalde prestaties, of zelfs kunnen leiden tot het opleggen van gevangenisstraffen. Dat zijn ingrijpende consequenties, die natuurlijk hun schaduw vooruitwerpen op het proces van kennisverwerving en oordeelsvorming; zie andermaal het belang van het bewijsrecht. Maar in de techniek kunnen de gevolgen ook ingrijpend zijn: bruggen die instorten of ondeugdelijke medicijnen kunnen mensenlevens kosten. Mij gaat erom dat we deze twee – misschien niet kunnen scheiden, maar wel – analytisch goed moeten onderscheiden: één ding is het proces van kennisverwerving en oordeelsvorming, een ander ding is het doel waarvoor en de context waarin die kennis wordt gebruikt, waarin dat oordeel betekenis krijgt.
Vooral in dat laatste is natuurlijk het eigenlijke en het eigene van rechtstoepassing gelegen, waarover Scholten schrijft. Alleen heeft Scholten niet de gewoonte dit soort analytische onderscheidingen scherp te maken. Definities kom je bij hem ook zelden tegen. Zijn manier van schrijven is veel meer intuïtief-schouwend en beschouwend dan scherp analytisch scheidend en onderscheidend. Bovendien spreekt hij in de eerste plaats als jurist over fundamentele juridische en rechtsfilosofische vraagstukken. Uitstapjes naar andere vakgebieden zijn er wel in zijn geschreven werk, maar alleen incidenteel, niet systematisch; en altijd in de dienst en in de context van het rechtsgeleerde betoog.
We zijn in zekere zin spekkoper dat we in het opstel van 1927 een beknopte en tamelijk heldere uiteenzetting vinden van zijn kennistheorie – een essentieel voorportaal van zijn rechtsmethodologie. Wat ik in beschouwingen over Scholtens rechtsmethodologie veel zie, is dat dit voorportaal niet voldoende wordt onderkend en onderscheiden. En dat leidt tot verwarring van de beide processen: het proces van kennisverwerving en het proces van het gebruik van die kennis. Het gebruik van de kennis in de context van een juridisch oordeel en in het bijzonder in het rechterlijk oordeel, dat in het centrum van Scholtens beschouwingen staat, impliceert een daad, een wilsakt; Scholten schrijft daar uitvoerig over. Maar dat doet niets af aan de geldigheid van de beschrijving van het proces van kennisverwerving zoals hier geschetst, als fundament van de rechterlijke oordeelsvorming. En omgekeerd: de aard van dit proces van kennisverwerving doet er niets aan af dat een rechterlijk oordeel uiteindelijk – zoals Scholten niet moede werd te benadrukken – een daad is, een wilsakt. (Dit laatste is trouwens in zichzelf een kennistheoretische uitspraak!) Die beide processen mogen op elkaar betrokken zijn, ze kunnen – en móeten ook ter wille van het goede begrip – analytisch wel onderscheiden worden.








