
“Tot het Oude Testament zullen wij, als wij verder willen komen in de Christelijke staats- en rechtsleer, ons meer hebben te wenden”. Deze uitspraak van Scholten uit 1939 heb ik al vaker geciteerd. En ook al vaker vermeld dat hijzelf aan de uitwerking hiervan niet meer toegekomen is. Zij roept wel vragen op. Zoals: hoe moeten wij dat Oude Testament dan lezen? Welke betekenis hebben de uitspraken van de wetten en de profeten in Israël van 3000 jaar geleden voor ons nú? Ik heb daar in de loop van de tijd wat ideeën over ontwikkeld, die ik hierbij graag aan mijn lezers voorleg.
De dorsende os: verticaal en horizontaal
In 1 Korinte 9 vers 9 schrijft de apostel Paulus: “in de wet van Mozes staat geschreven: Gij zult een dorsende os niet muilbanden. Bemoeit God Zich soms met de ossen? Of zegt Hij dit in elk geval om onzentwil? Ja, om onzentwil werd het geschreven”.
Ik vind dit altijd een beetje cru klinken. Paulus wil hiermee betogen dat hij recht zou kunnen doen gelden op financiële ondersteuning door de Korintiërs. Maar om nu te zeggen dat God zich niet bemoeit met ossen – is dat niet te kort door de bocht? Dit verbod staat letterlijk zo in de wet van Mozes: Deuteronomium 25 vers 4. Het gold dus in Israël vanaf het moment dat het werd afgekondigd. Iedere boer moest zich eraan houden, ook al stond er niet een speciale straf op het niet naleven ervan (dat gold en geldt wel voor meer geboden en verboden).
De toepassing die Paulus geeft aan dit verbod voor hemzelf in zijn eigen situatie, wordt wel de verticale betekenislijn genoemd. Die betekenislijn steunt op een uitspraak als 2 Timoteüs 3 vers 16: “Elk van God ingegeven schriftwoord is nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid”; of ook Romeinen 15 vers 4: “Al wat tevoren [d.w.z.: in de boeken van het Oude Testament] geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting der Schriften de hoop zouden vasthouden”. Dat betreft dus de toepassing van de gelovige in diens eigen tijd en op diens eigen situatie, hier en nu. Die betekenis stelt de gelovige zelf, alleen of in gemeenschap met anderen, met geloofsgenoten, vast.
Als je dit de verticale betekenislijn noemt, dan zou ik de andere toepassing, dáár en tóen in Israël, de horizontale betekenislijn willen noemen. Zoals gezegd, iedere Israëliet die ossen bezat en daarmee ploegde, moest zich aan dit verbod houden. De wetten van Mozes waren geldend recht – toen en daar. Wàt die betekenis is, of liever: was, daarover kunnen historici en bijbelgeleerden ons inlichten, zoals Boecker, wiens boekje ik in de vorige aflevering noemde. Of een enkele keer ook juristen, zoals Ze’ev Falk met zijn boek Hebrew Law in Biblical Times: An Introduction. Dat betreft dus de uitleg en toepassing van de regels in de tijd van hun ontstaan en hun gelding, lokaal en in de tijd bepaald.
Verticaal is dus primair geestelijk, actueel, naar tijd en plaats onbepaald. Horizontaal is primair stoffelijk, historisch, naar tijd en plaats bepaald en beperkt. Maar daarmee zijn we er nog niet. Want er is ook nog veel uitleg en toepassing die noch verticaal noch horizontaal genoemd kan worden.
Rechtsvergelijking en moraal: diagonaal
De Tora bevat regels over het omgaan met schulden. Die kunnen we op onszelf als schuldeisers toepassen. Maar hoe zit het in onze beroepsuitoefening, als advocaat of rechter of wetgever? Vinden we in die oude wetten en voorschriften misschien richtinggevende elementen die ons kunnen helpen bij de vorming van ons recht hier en nu? Die vraag zou je ook kunnen stellen voor de wetten van Hammurabi; of voor het Duitse of Franse recht van de negentiende eeuw, om maar wat te noemen. We betreden dan in feite het terrein van de rechtsvergelijking en/of de rechtsgeschiedenis.
Dit is ook wat christen-politici in meer of mindere mate doen: in de Bijbel zoeken naar uitspraken of principes die richting kunnen geven aan het politieke handelen. Dan is het meer een morele dan een rechtshistorische vraag. Bijbelwoorden hebben voor ons als gelovigen altijd in meer of mindere mate morele gelding. Er zijn plaatsen en tijden geweest waar men getracht heeft de Bijbelse regels tot geldend recht te verheffen, maar dat is nooit een succes geworden. Die kant moeten we niet op. Wel willen en kunnen wij in de Bijbel om zo te zeggen oriëntatiepunten zoeken, die ons helpen om in actuele morele en politieke en juridische kwesties koers te bepalen.
Ter onderscheiding met de verticale en de horizontale betekenislijn zou ik dit willen noemen de diagonale betekenislijn. Dit is het wat Scholten bedoelde met zijn uitspraak die ik aan het begin citeerde: “Tot het Oude Testament zullen wij, als wij verder willen komen in de Christelijke staats- en rechtsleer, ons meer hebben te wenden”.
Ik voeg daar meteen aan toe dat wij, juristen van de 21ste eeuw, niet de eersten zijn die dat willen doen. Onze vakgenoten hebben dat alle eeuwen door al gedaan. Er ligt dus een erfenis, een schat aan waardevol materiaal van mensen die met dezelfde vragen hebben geworsteld.
Tegelijkertijd: elke generatie opnieuw moet deze materie zich eigen maken, de weg hier vinden, de vragen beantwoorden die háár tijd stelt. De moeilijke vragen blijven, worden zelfs ingewikkelder. De antwoorden kunnen meer of minder veranderen, of moeten soms zelfs helemaal van voren af aan gevonden worden omdat de vragen nooit eerder aan de orde zijn geweest. In die zoektocht hebben wij elkaar als juristen nodig. En daarom werken wij vanuit ForumC, samen met de collega’s van de CJV, aan de opbouw van een netwerk van christen-juristen, in eigen land en over de grenzen heen.
———————-
Over de betekenis van de Tora voor ons recht heeft Matthijs de Blois enkele jaren geleden een lezing gehouden op de Paul Scholten-studieochtend. De tekst van zijn lezing staat op deze site: https://forumc.nl/wp-content/uploads/2021/12/2019-BloisBorstJongeneel-Gerechtigheid.pdf .
Bron Afbeelding: https://apache.be/2018/06/17/de-dorsende-os-zult-gij-niet-muilbanden









