7 september 2024 / 

 / 

Een blinde vlek?

“Rijd voorspoedig uit voor de zaak van waarheid, ootmoed en recht”

Dat is de wens van de psalmdichter voor de koning. Zie Psalm 45 vers 5.  

Een beetje wonderlijke wens; of niet soms? Want laten we wel wezen: over recht weten we mee te praten. Wij juristen op de eerste plaats. We weten er alles van. Ja, ook voor ons wordt het recht al zo omvangrijk en ingewikkeld dat niemand het geheel meer kan overzien; de wetgeving en de jurisprudentie dijen dagelijks uit. Maar ieder op z’n eigen specialisme komt een eind. En de politieke filosofen van christelijken huize wisten in de vorige eeuw precies waar het in de politiek om ging: publieke gerechtigheid! Dus dat de koning van Israël iets moest met recht, dat snappen we. 

Met waarheid weten we ook raad. Want de toepassing van het recht moet berusten op een fundament van waarheid. Daarom mag een strafrechter een verdachte pas veroordelen als hij op grond van wettige bewijsmiddelen “de overtuiging heeft bekomen” dat die verdachte het strafbare feit heeft begaan. Zo staat het in ons Wetboek van Strafvordering (artikel 338). De rechter moet er in geweten van overtuigd zijn dat het echt is gebeurd, zó en niet anders. Daarom besteden juristen ook permanent veel aandacht aan procesrecht en bewijsrecht; ik ben er zelf lang geleden op gepromoveerd. En daarom maken we ons tegenwoordig ook zoveel zorgen om nepnieuws en “fact free politics”: politiek die zich niet bekommert om waarheid. Daarom is liegen een doodzonde in de politiek. In elk geval in de Nederlandse politiek; in de Verenigde Staten lijk je er president mee te kunnen worden. 

Maar ootmoed? Wat doet die in deze trits? Waar vinden we die terug in ons recht, in onze politieke filosofie, in de politiek zelf? Wie maakt zich daar druk over? Waar is de publieke discussie over die eigenschap? Het lijkt een vreemde eend in de politieke en juridische bijt.  

Ootmoed

Wat zou ermee bedoeld zijn? Dat de koning van Israël maar wat over zich heen moest laten lopen? Daar lijkt het niet op. Want lees even verder in hetzelfde vers: “uw rechterhand lere u geduchte daden”. En anders wel in die andere bekende “koningspsalm”, Psalm 72: “hij verbrijzele de verdrukker”. Dat klinkt niet als soft gedoe. 

Wat houdt die ootmoed dan wèl in? Zij is de moeder van wijsheid en van alle deugden: vreedzaam, inschikkelijk, gezeglijk, voor rede vatbaar, verdraagzaam, geduldig, respectvol; de ander uitnemender achten dan mijzelf, bedacht niet alleen op mijn eigen belang maar ook op dat van de anderen. Respect voor de ander, ruimte voor zijn of haar mening, jezelf niet groot maken, je onderwerpen aan de wetten van het land, niet willen heersen maar dienen, niet uit zijn op eigen voordeel, ja, sterker nog: “winstbejag haten” (in de woorden van Jethro, de schoonvader van Mozes; zie Exodus 18 vers 21), niet er beter van willen worden; redelijkheid en onpartijdigheid (Jakobus 4 vers 17).  

Wat zeg je daar: onpartijdigheid? Een politicus is in onze samenleving toch bijna altijd iemand van een partij? Jazeker; en daar is ook niks mis mee. Maar hij of zij moet wel eerlijk zijn, niet eigen partij of medestanders bevoordelen, geen vriendjespolitiek bedrijven, niet met twee maten meten, niet zijn oor laten hangen naar wie het hardste schreeuwt of het meest met de geldbuidel rammelt.  

Blinde vlek

Zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan. Je zou er een boek over kunnen schrijven. Waarom is dat nog nooit gedaan? Ook bij Paul Scholten is niet één opstel te vinden dat hieraan gewijd is. Zelfs de term komt maar zelden voor in zijn Verzamelde Geschriften. Dat is wel een lacune, zou ik menen. 

Het betekent overigens niet dat de zaak zelve, ootmoed, hem als zodanig geheel vreemd was. Ik denk dan aan wat zijn oudste zoon, Gerbert, veertig jaar na dato schreef over de zestigste verjaardag van zijn vader: 

”Had mijn vader geen zwakke kanten? 

Natuurlijk had hij die. Ik wil er alleen dit over zeggen. Toen ik hem op zijn 60ste verjaardag in de kleine familiekring aan tafel toesprak, heb ik gezegd dat hij voor mij zo vader was geweest dat hij de aanduiding van God als Vader nooit in de weg had gestaan. Toen hij daarna ging spreken, noemde hij – het kostte hem zichtbaar moeite – de zonde waarmee hij het het meest te kwaad had. Dat was – zei hij – zijn hoogmoed. 

Het was zeer indrukwekkend. Het was een waarlijk heugelijke dag.”

Tuiniers gevraagd

Ootmoed is misschien wel het belangrijkste element in de trits “waarheid, ootmoed en recht”; en in ieder geval het kwetsbaarste. Die kwetsbaarheid blijkt wel uit het feit dat ootmoed nauwelijks object van onderzoek is geweest in meer dan twintig eeuwen van denken over recht en staat.  

Waarheid, ootmoed en recht zijn tezamen de voedingsbodem waarin het tere plantje dat “de democratische rechtsstaat” heet, kan gedijen. De enige voedingsbodem, wel te verstaan. Dus als we de democratische rechtsstaat willen behouden, moeten we deze drie eigenschappen – in hun onderling verband en samenhang – cultiveren. Tuiniers gevraagd!  

– – – – – 

Het citaat van Gerbert Scholten is ontleend aan het Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie (WPNR) 1975, p. 480 (aflevering van 26 augustus 1975: het Herdenkingsnummer ter gelegenheid van de 100ste geboortedag van Paul Scholten). 

Verder lezen?

Nu jij!

Wat denk jij? Reageer hieronder!